In een oogwenk

Thomme’s handen beefden. Een zweetdruppel rolde over zijn voorhoofd, over dikke  wenkbrauwen en deed zijn ogen prikkelen. Hij voelde zijn kuiten branden en zijn zij steken, maar hij negeerde de pijn. Nog maar een paar honderd meter. Hij smeekte wanhopig bij een ingebeelde god waar hij niet in geloofde dat hij deze keer wel op tijd zou zijn.

Welke krachten dit verschijnsel in het leven geroepen hadden wist hij niet, feit was dat hij nu éénmaal voor onvoldongen feiten stond. Mira zou verdwijnen. Over exact driehonderd veertig seconden. Tenzij hij op tijd bij haar geraakte.

Advertenties

GRENSWERELD

PROLOOG

Witte flitsen schoten langszij. Met rustige regelmaat een constante waar Damian bijna door gehypnotiseerd werd. De ruitenwisser bracht zijn eentonige gefluister over de natte voorruit alsof het een oud vers uit een lang vergeten gedicht betrof. De enige reden dat Damian niet in slaap viel was zij. Of beter gezegd; twee redenen. Hij had zijn hand op de buik van zijn hoogzwangere bijna-maar-nu-al-zo-trotse-mama Keira liggen. De baby was stil nu. Een kwartiertje geleden had ze nog geschopt, maar samen met haar moeder was ze in slaap gehypnotiseerd, enkel de radio verbrak stilletjes de monotone omgevingsgeluiden.

‘Schat…,’ fluisterde Damian, maar Keira was ondertussen naar dromenland verhuist. ‘Ach, laat ze maar,’ dacht hij. Het was een lange dag geweest. Ondanks dat de baby binnen drie weken uitgerekend was stond Keira erop om toch nog de anderhalf uur durende trip naar haar ouders te maken voor hun tweewekelijkse kaartavond. Vooral met haar jongste zus had ze een nauwe band. Aangezien deze geen kinderen kon krijgen had ze zichzelf nu al tot favoriete suikertante gebombardeerd, waar Damian zeker niet boos om was want ze hadden een waardevolle hulp aan haar. En goede babysitters zijn moeilijk te vinden.

Soms kon hij het nog altijd niet geloven. Nadat zijn eerste huwelijk stuk gelopen was – juist omdat hij geen kinderen wou – stond hij hier nu vijf jaar later op het punt om papa te worden, en hij was er nog trots op ook. Raar hoe dingen kunnen veranderen… Ook al was de zwangerschap een “ongelukje”, toch was hij er niet kwaad om. Integendeel, nadat Keira hem het nieuws met een klein hartje gebracht had, was hij in tranen uitgebarsten, iets wat Keira hem nog nooit had zien doen. Ze was geschrokken van zijn reactie, maar had niet door dat het tranen van vreugde betrof. Hij had geen woorden nodig om dit te verduidelijken aan haar, de intens liefdevolle en zorgzame knuffel die volgde verklapte zijn innerlijke blijdschap.

‘… burns burns burns, the ring of fire, the ring of fire.’ Damian zong stilletjes de klassieker mee met de radio. Muziek van voor zijn tijd, maar toch zo vertrouwd. Hij kon er niets aan doen, een intens gevoel van geluk borrelde op uit zijn binnenste, een glimlach vormde zich rond zijn lippen. Dit was het goede leven.         Heel anders dan zijn vorige relatie, waarin hij constant moest opboksen tegen een muur van wantrouwen en onbegrip, ook al had hijzelf hiervoor geen enkele aanleiding gegeven. Ach ja, nu kon hij de schuld bij zijn ex-vrouw leggen, maar toen ze nog samen waren had hij alles op zich genomen. Onnodig te zeggen dat dit vroeg of laat uit zijn voegen moest barsten.

Maar met Keira was het een ander verhaal. Een andere wereld haast. Ondanks haar relatief jonge leeftijd had ze een immens groot inlevingsvermogen en een eindeloze zee van begrip.  Ze was wat sommigen noemden ‘Streetwise’, ondanks dat ze een normale en goede jeugd had beleefd, kende ze het klappen van de zweep maar al te goed. Toch begreep hij af en toe niets van haar gedrag, wat sommige dagen volledig haaks stond op hoe ze normaal gezien was. Het leek wel of ze in twee verschillende werelden leefde, ze was soms zo afwezig, om dan een paar uur later met een enorme strijdlust door de dagdagelijkse taken te klieven, net alsof er een tweede Keira huisde in haar hoofd. Maar ook die andere Keira kon hij best genieten, het was een zeer sterke persoon, dominant maar niet overheersend, voldoende om een uitdaging te zijn voor hem, eerlijk maar recht voor de raap. En soms had hij dat wel nodig. ‘I like a chalenge when I see one,’ was één van zijn favoriete uitspraken. Hij vond dat er…

Plots slaakte Keira een kreet, ze greep Damian’s schouder vast en kneep zo hard dat hij in een reflex aan het stuur rukte, de oude gammele Volvo vloog over de andere rijstrook en scheerde rakelings langs een verlichtingspaal af, raakte een bloembak die langs de kant van de baan eenzaam op wacht stond, en tolde in het rond. Met veel moeite kreeg Damian het voertuig terug onder controle en kreunend kwam het logge beest tot stilstand, vlak voor een overweg. Het duurde even alvorens hij terug bij zijn positieven was.

‘Keira…’

Hij klikte zijn gordel los en probeerde hetzelfde te doen bij haar, maar er kwam geen beweging in het slot.

‘Ver… dom… me!’ vloekte hij terwijl hij aan de gordel snokte.

‘Keira, hoor je mij?’ ‘Wat is er? Scheelt er iets met de baby? Waarom schreeuwde je?’

De zondvloed van vragen werd abrupt een halt toegeroepen toen hij haar buik in het oog kreeg.  Een donkerrode vlek bedekte de plaats waar hij zojuist nog zijn hand had liggen. Hij scheurde het doordrenkte t-shirt, wat een gapende wonde van een zes-tal centimeter onthulde. Keira lag levenloos in haar stoel, zwaar en snel ademhalend. Niets van wat hij zei of deed lokte enige vorm van reactie uit.

Minuten gingen voorbij, of waren het slechts seconden? Het leek in elk geval een eeuwigheid. Uiteindelijk bleef er niets meer over dan 112 te bellen – wat Damian dan ook deed – in volle paniek zoekend naar de juiste woorden. Had Keira zich gestoten aan iets? Hij zag nochtans geen scherpe voorwerpen, en het ongeval had slechts wat blikschade aan de buitenkant van het voertuig veroorzaakt. Nee, haar schreeuw was plots gekomen, zonder voorafgaande bewegingen. Het moest iets anders zijn. Was het dan misschien een interne bloeding? Ook dit kwam niet overeen met de open wonde.

‘Blijf rustig tot de hulpdiensten er zijn.’

Damian geloofde zijn oren niet. ‘Rustig blijven?! Ru… Gemakkelijk gezegd!’

De vrouw aan de andere kant van de lijn startte aan haar lijstje met standaard vragen, het advies dat ze gaf in afwachting tot de ziekenwagen ter plaatse was leek even hard ingestudeerd als een kleuter die het alfabet voor de zoveelste keer voor de klas moest brengen.

Als brandweerman/ambulancier was Damian trouwens  meer dan vertrouwd met communicatie van en naar het hulpcentrum, en de groeiende incapabiliteit van de nieuwe calltakers was beroepshalve al een bron van frustratie geweest, maar hij had er nooit bij stilgestaan hoe frustrerend dit zou zijn als hij zelf in de rol van slachtoffer gedwongen zou worden. Maar al de kennis die hij als ambulancier had opgedaan kon hem nu niet helpen, het enige wat hij kon doen was proberen het bloeden te stelpen en waken over Keira’s vitale functies. Hij wist dat de ziekenwagen er minstens een kwartier over deed om tot bij hun te geraken. Hij had de route al meermaals zelf gereden.

‘Damian’, stamelde Keira.

Hij liet de telefoon vallen en gebruikte nu zijn beide handen in een poging het bloeden te stelpen. ‘Ik ben er’, ‘ik ben er’, herhaalde hij.

‘Damian, je bent speciaal. Ik heb jou gekozen.’ Keira sprak zacht en rustig. ‘Ik dacht dat het Nore zou zijn, maar… het is te laat.’

Nore was de naam die ze samen gekozen hadden als de baby een meisje zou zijn.

Alles wat er daarna gebeurde passeerde voor zijn ogen alsof het een film was die vertraagd afgespeeld werd. De lichten van de ziekenwagen leken een eeuwigheid nodig te hebben om van lamp naar lamp te springen. De plotselinge steken in zijn hoofd besprongen hem als een luipaard op een weerloze Gazelle, ze lieten hem eerst ineenkrimpen om vervolgens al zijn spieren te doen opspannen, waarna hij ongecontroleerd begon te beven. Hij greep naar zijn hoofd, Keira’s bloed besmeurde zijn slapen en oren, maar de pijn werd alleen maar intenser, het werd zwart voor zijn ogen.

De regen gutste met bakken uit de hemel, alsof ook de Goden hun onmacht uitten in hun tranen. Damians’ wanhoopskreet werd overstemd door het gebulder van een passerende trein. Keira’s ogen draaiden weg, haar hoofd rustte tegen de zijstijl.

DE REBELLEN VAN ZAN

  1. Voorgeschiedenis

“Piiiwoooo-piiiwoooo-piiiwooo-piiiwooo…”.Het  alarmsignaal wekte Criall. Versuft drukte hij op de knop die de luchtsluis van zijn vriezer in werking stelde. Het duurde enkele minuten eer de glazen kap omhoog ging, en hij rechtop kon zitten.

“Ik zal er ook nooit aan wennen”, zei hij tegen zichzelf, doelend op het ruimtereizen en de ongemakken dat dat met zich meebracht. Vooral het verplicht “invriezen” van de passagiers. Dit was een proces dat personen in een artificiële winterslaap bracht tijdens ruimtereizen van lange duur. Hij wreef over zijn pijnlijke gewrichten die iets meer tijd nodig hadden om zich terug aan te passen aan de normale gang van zaken.

“Hoe moeten aardlingen zich wel niet voelen na drie weken van invriezen?”

Criall was een Klun; een humanoïde met – naar aardse normen – buitengewone krachten doordat de zwaartekracht van zijn thuisplaneet groter was dan de gemiddelde planeet door de mensen of door de Polyteëenen gekoloniseerd. Nochtans waren praktisch alle Kluns zeer grote slanke wezens, wat de wetenschap voor menig raadsel plaatste (men was voor de ontmoetingen met Kluns nog steeds ervan overtuigd dat op een planeet met een groter zwaartekracht de wezens kleiner en zwaarder moesten zijn). Het gevolg was dat, wanneer zij op een andere planeet kwamen, zij de natuurwetten – en in het bijzonder de zwaartekracht – tartten dat het mooi was om te zien. Verder zorgden hun “gaven” ervoor dat zij door menig één aanzien werden als bovennatuurlijke schepsels.

Het was een trots, gedisciplineerd en ijdele soort, met veel interesse voor esthetische zaken, verder waren Kluns ook overgevoelig voor geluid, hun gehoor was drie maal sterker en gevoeliger dan het menselijke.

Een algemeen verschijnsel als iemand in contact kwam met Criall was dat de persoon niet kon uitmaken of hij/zij hem leuk of angstaanjagend vond. Er was iets aan Criall wat ervoor zorgde dat je hem onvermijdelijk sympathiek vond, hoewel zijn knappe uiterlijk je tegelijkertijd schrik aanjoeg. Zijn gele ogen met de groene pupillen in spleetvorm konden je zo doordringend aankijken…

“Hahaaa! Ook terug bij de levenden!” riep Djiko, één van Criall’s collega’s en persoonlijke vrienden die een uurtje vroeger uit de vriezer ontwaakt was (“ontdooid” zoals het heette in de vakterminologie). Djiko was een Polyteëen. Klein van gestalte, maar een hard werker. Iedereen in zijn ploeg kon verschrikkelijk goed opschieten met hem.

“Tja, en al direct die stomme kop van jou zien is niet onmiddellijk mijn favoriete manier van ontwaken”, schertste Criall.

“Is iedereen al ontdooid?”.

“Nee, Daral en Nieck’o moeten nog bijkomen, maar hun vriezer staat een halfuurtje later geprogrammeerd.”

“Hmpf, kunnen wij weer vroeger beginnen te werken,” gromde Tibalt, de minst populaire doklader van allen op het handelsschip.

“Tegen het tempo dat jij er tegen aan gaat is het nodig om je twéé uur vroeger te ontdooien, Tibalt.” Grün en Tibalt hadden elkaar nooit kunnen uitstaan.

De dokladers waren een mengelmoes van rassen; Kluns, Polyteëenen, mensen, Slâgi,…terwijl de hogere klasse – de bestuursleden en de handelaars zelf – hoofdzakelijk bestond uit Polyteëenen, die qua uiterlijk enkel van mensen verschilden door de vaal blauwe huidskleur en de volledig witte ogen, wat iets griezeligs over hen bracht.

Het compartiment zag er – door de verschillende vriezers die in zeshoekige vorm in de muur geschoven werden – uit als een grote bijenkorf, nu gehuld in een sluier van mist, veroorzaakt door het openen van de tientallen vriezers.

“Ok, iedereen naar zijn werkpost”, schreeuwde de ploegbaas. “De landingsprocedure is ingezet en binnen vierentwintig standaardminuten begint het lossen.”

Onderweg naar de laaddokken kon Criall het niet laten om toch even een waarnemingssluis te openen en een vluchtige blik te werpen op de ruwe planeet G’Lan. Waarom moesten ze juist terugkomen naar die planeet? De planeet die hij zo haat…

“Ik vind er toch maar niks aan”, zei hij tegen Djiko. “Ik begrijp niet waarom jij zo te keer gaat over die kleine planeet.”

“Klein?! Klein?! Die bol is twee en een half keer zo groot als Polyteïne, en twee keer zo groot als de Aarde, imbeciel! Jaja, ik weet wel dat jou planeet nog groter is, opschepper.”

“…En toch heeft G’Lan maar een even grote zwaartekracht als de Aarde,” vervolgde Criall, “doordat de kern niet uit vloeibaar metaal bestaat. Ik weet het, je hebt het me al honderd keer verteld, samen met de hele godvergeten geschiedenis van de oorlog tussen de eerste menselijke kolonisten en de Grin. Waarom ben jij eigelijk zo geïnteresseerd in de geschiedenis van deze planeet?”

“Ik ben misschien van plan een stukje grond te kopen hier, als ik mijn diensttermijn erop heb zitten, binnen acht galactische jaar. Het lijkt me een leuke planeet om te wonen.”

“Ha! Riep Criall verwonderd uit. “Je weet toch dat de menselijke kolonisten daar niks moeten hebben van buitenaardsen, zelfs niks meer van Oorspronkelijke Aardsen, na de Grote Vrijheidsoorlog! Met uitzondering natuurlijk van bepaalde handelsschepen die een licentie hebben om hier speciale goederen te leveren, maar hier WONEN… vergeet dat maar!”

“Nou, niet bepaald. Ik heb goede connecties met mensen in de hogere regeringskringen, en trouwens; de moerasgebieden in het noordoosten zijn practisch niet bewoond, daar vind je gemakkelijk een plekje.”

“Tuurlijk, het is daar niet uit te houden, domkop”, grijnsde Criall. “Waarom denk je dat de mensen zelf daar niet gaan wonen?”

“Jij moet ook altijd alles van de slechtste kant bekijken”, gromde Djiko. Hij wierp nog eens een vluchtige blik op de grote planeet alvorens ze hun weg verder zetten, richting laaddokken.

De planeet bestond uit een twaalftal grote steden met een gemiddeld aantal inwoners van zes- tot acht miljoen, verspreid over de volledige planeetoppervlakte. Verder waren er honderden kleine steden verspreid over het volledige planeetoppervlak, met elk hun eigen cultuur en streekgebonden gebruiken. Maar wat ze allen gemeenschappelijk hadden was hun afkeer van uitheemse lieden.

Toerisme was niet bestaande op G’Lan, laat staan dat ze “buitenaardsen” zouden laten wonen in hun gebied.

De hoofdstad Bangloï bevond zich ten westen in nog redelijk normaal grondgebied (naar aardse normen), maar naarmate men hoger noordwaarts trok veranderde het landschap in verwilderde regenwouden met ontelbaar nog niet ontdekte wilde diersoorten. Het was een paradijs voor avonturiers en ontdekkingsreizigers, maar tegelijkertijd een ware hel. Slechts tien procent van de mensen die zich in die gebieden waagde keerde ooit terug, waarvan de helft dan nog kompleet schizofreen.

Ten zuiden van Bangloï had men enerzijds het begin van het grootste berggebied (de Marana-keten) dat naar het midden van de planeet zich uitbreidde en zo eigelijk het centrum vormde van G’Lan. Vanuit de immense toppen vloeiden ontelbare kleine riviertjes richting zee, wat voor levensgevaarlijke gletsjers zorgde.

Anderzijds was het aangrenzende gebied uiterst zuidwest van dit berglandschap een savannestreek, waar er zich maar weinig steden bevonden. Meer naar het zuiden veranderde de planeet in een onherbergzaam droog gebied, een grote woestijn waar de hitte overdag kon oplopen tot vijfenzestig graden Celsius.

Maar hetgeen dé grote aandachtstrekker was vanuit de ruimte gezien, was de grote Rode Oceaan die zich uitstrekte van het noordoosten tot het zuidoosten, en die de vorm had van een brede halve maan. Men noemde ze de “Rode Oceaan”, omdat ze effectief rood van kleur was. Dit was een natuurverschijnsel dat zijn oorzaak vond in de overwegend roestbruin gekleurde ondergrond van de oceaan.

Het moerasgebied waar Djiko het over had, bevond zich in het noorden/noordwesten van de zee.

Plotseling daverde het ruimteschip als een Zeewolf die dodelijk geraakt was. Djiko, Criall en de anderen werden van de ene hoek naar de andere geslingerd. Grün kwam onder een lawine metalen staven terecht en was op slag dood. Overal loeiden sirenes, dokladers liepen elkaar en hun gevallen kameraden onder de voet.

“We zijn door iets geraakt… Kom mee! Naar de reddingssloepen!”, brulde Criall. Djiko wou rechtstaan maar slaakte een kreet van ontzetting. “Mijn been is gebroken, en ik heb een snee in mijn zij… ga zonder mij, anders haal je het niet. De automatische vergrendeling van de deuren is al begonnen!” De grote metalen lemmeten van de deuren sloten zich als een diafragma, en ze waren bijna halverwege.

“Vergeet het maar dat ik je hier achterlaat!”, Criall tilde Djiko op zijn rug en begon te lopen naar de dichtstbijzijnde reddingssloep.

Djiko beet zijn lippen kapot om niet te schreeuwen van de pijn, veroorzaakt door de wond in zijn zij en het schokken van het lopen. Nog net op tijd kon hij met een reuzensprong door de sluitende deur ontsnappen. Door de val raakte Djiko bewusteloos. Criall sleurde hem verder mee naar de sloep.

Weg! Ze waren allen weg… Nee! Zestig meter verder was nog een sloep over. Het vuur dat in de gang ontstaan was haalde hen met ongelofelijke snelheid in, Criall kon nog net op tijd de sluisdeur van de sloep sluiten. Gelukkig kon hij zich zelfs met de last van Djiko nog een stuk sneller voortbewegen dan een mens. Ogenblikkelijk sloeg hij op de noodknop die hen de ruimte in katapulteerde, richting G’lan.

“Zijn we aangevallen door het defensiesysteem van G’lan?” vroeg hij zich af. “Dat kan toch niet, we hadden een leveringslicentie. Een computerfout dan? Nee, ook uitgesloten. Maar wat is er dan geb…”

Criall raakte bewusteloos toen een meteoriet de sloep danig door elkaar schudde.

Grommels (kinderverhaaltje)

Jack leeft in zijn eigen wereld. De wereld is zijn wereld. Of dat denkt hij toch. Jack is koning van het beduit, de trapop, de zetelaf. En alle andere dingen die je je maar kan inbeelden. Dit is zijn huis. Zijn straat.

Iedereen die in zijn buurt komt moet naar hem luisteren, ze zijn  één voor één hier om hem te dienen. Dat is toch logisch?

Zijn mensjes zijn er om ervoor te zorgen dat hij elke dag op hetzelfde moment zijn lekkers  krijgt, dat hij stoer zijn straatronde kan doen, dat zijn zetel voorverwarmd is als hij erin wil liggen,…

Zijn makkers zijn er om ervoor te zorgen dat de aartsvijanden – de Hissers – niet over de straat kunnen heersen.

Jack is de Koning van de Honden. En al de rest.

GEVANGENEN VAN DREA

1.
In die tijd ging het er natuurlijk heel anders aan toe. Neil’s grootvader vertelde er geregeld over. Hoe de Nälen over het land zwierven en dood en verderf zaaiden. Hoe ze zelfs de hardnekkigste nederzettingen onder de voet liepen. Hoe de overlevenden met doodsangst de planeet verlieten, de wijde wereld in, op zoek naar een nieuwe thuis. Hoe de machtige Ruimte Oriëntatiemacht weerloos was.

Dat was natuurlijk voor de Grote Oorlog. Voordat de R.O. zichzelf – en daarmee dertien van de zeventien andere planeten met intelligent leven – vernietigde. Amper twaalf dagen waren nodig om een kwart zonnestelsel uit te roeien. Twaalf dagen.

Nu is de ballingsschapsplaneet Drea het enige wat overblijft van de mensheid en zijn dwaasheden.

Vooral zijn dwaasheden.